Gedichten en literatuur van Karel N.L. Grazell. Stadsdichter van ZuiderAmstel.
Gedichten en literatuur van Karel N.L. Grazell. Stadsdichter van ZuiderAmstel.
Geplaatst op 14 april 2008 om 10:27 | Permanente link | Reacties (0)
Karel N.L. Grazell
Het gele huis
(een volstrekte fantasie)
De middag begon als alle middagen. Hij liep de trap op, kwam z’n atelier binnen, zag de ezel waarop het lege doek stond te wachten. Maar al ’n tijd-je voelde de schilder zich hijzouzeggen lamlendig, hoewel het anders was: leeg, geen zin, zoiets. De ambachtelijke regelmaat van dag in en dag uit aan het werk, kort geleden nog zo’n goede dwang om te doen, te presteren, stond ‘m wat tegen: het was hem even te eentonig geworden.
Hij keek naar het nieuw opgespannen doek. Moest hij? Ja, hij moest. Hij had zichzelf nu eenmaal die discipline opgelegd: na de lunch was het tijd om te schilderen tot de eerste schemering naar binnen gleed.
Dat gevoel van alwéér was vorige week begonnen, maar nu, merkte hij, was het wel op ’n hoogtepunt. Hij vermande zich, bedacht: misschien moet ik iets maken vanuit m’n stemming om juist die stemming te doorbreken.
Maar dan: wat moest hij schilderen? Hij ging voor het grote raam staan, dat een beetje schuingeplaatst was in de bovenste etage van het huis. Als hij over de stad keek, zag hij het licht uit bijna het noorden komen. Het viel wat zijdelings op de ezel met het doek. Richtte hij z’n kijken naar be-neden, dan was daar de Singelgracht, de asfaltzwarte Stadhouderskade met over de brug van de Boerenwetering de zijkant van het museum. Het was het uitzicht van alle dag.
Hij dacht na, overpeinsde, terwijl hij daar stond. En ineens kwam het in hem op: hij moest z’n uitzicht aanpakken.
Hij herinnerde zich het huis dat hij van de week nog had geschetst: dat dubbele, gele huis in de Vossiusstraat. Alsof hij er nog nooit langs had ge-lopen, was het hem die dag speciaal opgevallen in de laaggelegen straat, die terzijde van het Amsterdamse stadsrumoer leunde tegen een lang hek, waarachter de struiken en bomen van het park stonden. Dat huis, dat was zoals hij zich nu voelde: leeg, zonder enig opwindend doel, zonder enige toekomst dan altijd hetzelfde, dan semper idem. En tegelijk was het wat anders, dat hij in z’n uitzicht kon zetten.
Hij bedacht: de monotonie van elke middag met weer dat museum, weer die kade en die gracht, zou hij doorbreken, hij zou het huis uit die wegge-doken straat halen en het in z’n uitzicht plaatsen. Sec, zonder dat er een mens te zien was, geen bewoner, geen voorbijganger.
Hij ging op z’n kruk voor de ezel zitten, pakte met de rechterhand een
palet en begon er tubeverf op uit te knijpen, hij mengde er ook wat kleuren op uit potjes die in een grote, platte sigarenkist van Hajenius stonden.
Eerst de ondergrond van het doek, de fundering waarop het huis zou ko-men. Hij borstelde de kleuren met grote streken op het linnen: een abstract geheel, waarvan elke kleur willekeurig leek te zijn opgebracht.
Toen greep z’n linkerhand een smalle kwast uit een van de twee glazen potten met penselen op het tafeltje achter hem. Hij sloeg in z’n schetsboek de impressies op, die hij van het dubbele huis had gemaakt. Dan: een eer-ste opzet. In forse strepen ging de kwast over het doek.
Met een penseel dwars tussen z’n lippen bekeek hij langdurig het resultaat.
Moest het zo ongeveer worden? Nee, niet het hele pand tot en met het dak moest hij doen – het souterrain, de benedenetage en de verdieping met het balkon boven de entree waren genoeg. Zo kwamen die grote, gele gevel-platen beter uit.
Rechts moest een lege ruimte komen, een soort plein op de plek van de gulden snede, en waar nu zowat de Singelgracht was, zou hij nòg wat bouwsels zetten. En daar zou hij ook een wolkenhemel boven kunnen schilderen, die voor het onheilachtig licht zorgde waarin het huis moest staan,. Maar dat alles was nu niet belangrijk, dat kwam later wel.
Hij borstelde de ondergrond opnieuw, over de verworpen schets, en vlugger. Nu wist hij hoe het moest.
Toen schetste hij de nieuwe opzet.
De deurbel ging beneden. Ach ja, die recensent. Er mocht nooit iemand op zijn atelier als hij werkte, maar met deze inktverveler lag het anders. Binnenin zich lachte hij om dat nieuwbedachte woord.
Hij hoorde de straatdeur opengaan, voetstappen op de trappen, wat geroe-zemoes van stemmen.
Hij keek naar rechts, naar de open atelierdeur. Een wat kleine man kwam binnen. Middelbaar. Dun, kort haar, al behoorlijk grijs. Een blozend ge-zicht met wat onzekere ogen. Een donkerbruin pak aan, van dat bruin dat hij als schilder haatte: zo saai, zo burgerlijk zonder diepte of gloed.
Goed’nmiddag, zei de man, ik moest maar doorlop’n, zei mevrouw. Ik heet Van Vleet’n.
‘n Hand geven ging niet: het grote palet zat in de weg.
Heel aardig van u dat ik het mak’n van een schilderij mag meemak’n, zei de man met een wat slordige woordkeus.
De schilder wees met z’n penseel: gaat u op de divan achter me zitten.
Het had iets surrealistisch, vond hij, Jean Cocteau had het kunn’n beden-k’n: het bruine pak boog de man in zithouding naar de divan, de knie’n wat uit elkaar. De arm’n ging’n een beetje slap naast het lichaam hang’n, de lege hand’n legd’n zich op het divankleed. Het ronde hoofd schoof uit de schouders lichtelijk naar vor’n: nee, veel stijl had de man niet. Op de tikkeltje platte neus kwam een lorgnet te staan. Jaja.
De schilder keerde zich weer naar het doek. Hij mengde met zorg de gelen voor de gevel: het licht dat er in de vele nuances over zou vallen, kwam dan wel later, maar hij moest nu al voor de geschikte ondergrond zorgen.
Langzaam kwam het huis tot stand: geroutineerd koos hij de penselen uit, voor hier wat fijner, voor daar wat forser. Hij bouwde de twee hoge erkers die van beneden naar de verdiepingen erboven liepen, met in de ruiten de weerspiegeling van takken, die bomen suggereerden buiten het doek: niets kwam binnen, niemand woonde binnen, De bekijker van het schilderij straks zou buiten staan, hij kon niet het huis in, alleen een bovenraampje moest op ‘n nauwelijkse kier open zijn, dat zou de toeschouwer – als deze goed keek – tot een vage gedachte brengen van: kan het? nee, het kan niet.
Hij schilderde het bordesje dat binnen de gevellijn in de schaduw met klei-ne treden omhoog ging, en liet veel licht op de zuil komen, die het in twee-en gedeelde balkon van éénhoog steunde. De linkerdeur maakte hij dicht.
Het was een heel werk om alles zo op het doek te krijgen als hij wilde, en hij werkte allerlei plekken met een heel fijn penseel bij.
Kom ’s even hier naast me, zei hij tenslotte tegen Van Vleet’n. Hij legde het palet achter zich op het tafeltje, nam op z’n penseel nog wat geel, met Van Dyckbruin gemengd, en pakte onverwacht de arm van z’n bezoeker stevig vast: zie je waar de deur nog open is, vroeg hij, daar ga je in. Op hetzelfde ogenblikwacht duwde hij de man de treden van het bordesje op, de hal binnen. Onmiddellijk schilderde hij de rechter voordeur hermetisch dicht. De man in het bruine pak stond stokstijf, als een durende moment-opname. Z’n keel wilde roepen: help, wil iemand me hieruit hal’n? Maar hij kon niet bewegen, hij was van verf, er kwam niet eens wat gekreun.
De schilder ging weer rustig door met z’n werk. ‘t Was tijd voor het plein, voor de gebouwen van de achtergrond, en voor de wolken erboven, die het licht maakten, dat hij soms had gezien als er onweer in de lucht was, met een welhaast gelige tint alsof het niet meer van deze aarde was – en voor de vele bruingrijze schaduwen op de gevel en op de straat, met vage wak-ken van dat wonderlijke licht afgewisseld. Tenslotte nam hij wat wit, wat grijs, en liet twee flarden papier over de straat waaien: een beetje filmisch effect, dacht hij, dat accentueert de leegte, de eenzaamheid van dat er geen mensen lijken te zijn. Zo is Van Vleet’n voorgoed verdwenen. Terecht: aan hem had niemand iets.
Toen liep hij bij het huis vandaan, de brug over, huiswaarts. Hij dacht: wat doe je met je uitzicht? Er dwars doorheen lopen, zoals ik nu. Wat doe je met je toekomst? Er dwars doorheen lopen. Hij wandelde het minieme plantsoen, dat decennia later, na z’n dood, naar hem zou worden genoemd.
Het middaglicht dat door het schuingeplaatste atelierraam viel, schoof heel traag dicht. Hij ging op z’n schilderskruk zitten en keek rond: de paletten aan de wand, het statiegeldloze glaswerk met blauw en roze en bruin erin op de plank, de vele geduldige penselen als ruikers in glazen potten, de di-van met het oude kleed, waarop een model kon poseren, het onpersoonlij-ke doodshoofd dat er al sinds de vanitas van de zeventiende-eeuwse schil-ders leek te staan, de flessen, de andere ezels, het kale tekenbord. En daar, bij het slijpsteentje, lag nog steeds het ergerlijke krantenknipseltje.
Hij pakte het, las nog eens hoe hij een knoeier was, die de foto, welke hij van een huis maakte, met mechanische hulpmiddel’n vergroot op het doek bracht en dan de vlakk’n invulde. En hoe hij grauwe wolk’n erbij schilder-de om de burger te epater’n. Dat was slim en simpel! Grote kunst? Cul-tuur? ’t Mocht wat. Bedrog was het. Zwendel in de schilderkunst! Ondertek’nd: Van Vleet’n.
Hij keek naar het doek. Het gele huis stond daar, het was op de een of an-dere manier anders geworden dan het huis dat hij had geschetst in de Vos-siusstraat: het was verhuisd naar het uitzicht van z’n atelier. En vooral: het was in zijn licht geraakt, en dat zo wereldvreemde licht maakte dat het gele huis wel bestond en eigenlijk ook niet.
Hij had nu een ander uitzicht verworven: en toch weer met puur laatnegen-tiende-eeuwse architectuur, dacht hij, precies zoals hier in de museum-buurt thuishoort, karakteristiek en lelijk tegelijk, een gewoon er zijn. En geen mensen erbij, hoogstens straks een eenzame bekijker van het doek, die dan niet zulke vreemde, irritante ideeën had als m’neer Van Vleet’n.
Ben ik zo’n huis, vroeg hij zich af? Ben ik zo? En blijf ik zo? Hij pakte een fijn penseel. Boog zich voorover. Signeerde (het was als een initiatie):
Willink ‘34
En voelde zich zoals hij was: heel langzaam anders wordend.
Geplaatst op 29 november 2009 om 18:42 | Permanente link | Reacties (0)
Laatste reacties